Samenvatting
-
Aanvraag van beeldvormende diagnostiek door de huisarts bij patiënten met een lumbosacraal radiculair syndroom (LRS) wordt ontraden.
-
Er is meer aandacht voor de afweging van de voor- en nadelen van operatieve interventie en een in opzet voortgezette conservatieve behandeling bij onvoldoende verbetering van de klachten na zes tot acht weken.
-
De aanbevelingen voor het postoperatieve beleid en het beleid bij chronische klachten zijn uitgebreid.
-
Aanbevelingen voor diagnostiek en beleid bij een vermoeden van neurogene claudicatio intermittens op basis van een wervelkanaalstenose zijn uitgebreid.
-
Een LRS, meestal als gevolg van compressie van een lumbosacrale zenuwwortel door een discushernia, heeft doorgaans een gunstig natuurlijk beloop.
-
De diagnose LRS wordt gesteld op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek.
-
Adviseer gedoseerd te bewegen en door te gaan met de dagelijkse activiteiten voor zover de klachten dit toelaten.
-
Streef naar adequate pijnstilling (voldoende hoog gedoseerd, tijdcontingent).
-
Verwijs alleen naar de neuroloog voor aanvullende diagnostiek bij aanwijzingen voor een ernstige oorzaak van het LRS, bij vermoeden van een cauda-equinasyndroom, een ernstige parese of wanneer een operatie wordt overwogen.
-
Operatieve behandeling bij onvoldoende verbetering van de klachten na circa twaalf weken leidt tot een sneller herstel dan een in opzet voortgezette conservatieve behandeling. Na een jaar is er geen verschil in effectiviteit tussen de twee behandelopties.
Delegeren van taken
Inleiding
Achtergronden
Begrippen
Epidemiologie
Pathofysiologie
Risicofactoren
Klinisch beeld

Lumbosacraal radiculair syndroom | Neurogene claudicatio intermittens | |
---|---|---|
Leeftijd (leeftijdscategoriemet hoogste incidentie) | 30-64 jaar | > 60 jaar |
Beloop | (Sub)acuut begin, 75% herstel < 12 weken | Geleidelijk ontstaan; chronisch beloop |
Karakter pijn | Scherpe, brandende pijn | Brandende, doffe pijn, zwaar/moe gevoel |
Lokalisatie klachten | Meestal eenzijdig | Meestal beide benen |
Uitlokkende factoren | Drukverhogende momenten, staan, lopen | Staan en lopen, vooral met gestrekte rug |
Verlichtende factoren | Liggen | Fietsen, zitten, vooroverbuigen |
Lichamelijk onderzoek | Motorische/sensibele uitval, radiculaire provocatietesten vaak positief | Meestal geen afwijkingen |
Natuurlijk beloop en prognose
Richtlijnen diagnostiek
Anamnese
-
duur en beloop van de klachten;
-
lokalisatie, uitstraling, aard en intensiteit van de pijn;
-
de ernst van de pijn in het been in verhouding tot de ernst van de eventuele pijn in de rug; de intensiteit van de pijn kan gemeten worden met behulp van een pijnschaal, zoals de VAS of NRS (zie de NHG-Standaard Pijn (2015)).
-
sensibiliteitsstoornissen;
-
invloed van drukverhogende momenten als hoesten, niezen en persen op de pijn in het been;
-
invloed van rust, beweging en houding op de klachten;
-
eerdere lagerugpijn- en LRS-episodes, hun beloop en behandeling;
-
maligniteit in de voorgeschiedenis;
-
recente ingreep aan de lumbale wervelkolom (zoals operatie, lumbaalpunctie of epidurale steroïdinjectie);
-
zelfzorg en behandeling tot nu toe;
-
de mate van belemmering in het dagelijks functioneren thuis, op het werk (bijvoorbeeld verzuim of productiviteitsverlies), op school of in de vrije tijd;
-
oorzaken in, dan wel gevolgen voor de arbeidssituatie;
-
de ideeën die bij de patiënt leven over het ontstaan en voortbestaan van zijn klachten;
-
zorgen, ongerustheid, specifieke vragen en verwachtingen van de patiënt.
-
krachtverlies;
-
mictiestoornissen (incontinentie of retentie);
-
sensibiliteitsstoornis in het rijbroekgebied.
-
bijkomende klachten, zoals algehele malaise, onverklaard gewichtsverlies, koorts;
-
voorafgaande tekenbeet, erythema migrans, hersenzenuwuitval, artritis.
-
het optreden van klachten bij lopen en fietsen;
-
de invloed van staan, zitten, vooroverbuigen en rechtop staan op de klachten.
Lichamelijk onderzoek
-
motoriek: extensie van de grote teen en de knie (met en zonder weerstand) en het op de tenen en op de hakken lopen (let op rechts-linksverschillen);
-
achillespeesachillespeesreflex- en kniepeesreflexkniepeesreflex (let op rechts-linksverschillen);
-
sensibiliteit van de verschillende dermatomen van het been (zie [tabel 1]) (let op rechts-linksverschillen);
-
omgekeerde proef van Lasègue (optioneel, alleen bij verdenking op een hoog lumbaal radiculair syndroom, zie [kader]);
-
proef van Lasègue en de gekruiste proef van Lasègue (zie [kader]) en/of;
-
maximale vinger-vloerafstand bij vooroverbuigen (zie [kader])
-
sensibiliteit van het rijbroekgebied;
-
anaalreflex (optioneel, zie [kader]).
Uitvoering (gekruiste/omgekeerde) proef van Lasègue, de maximale vinger-vloerafstand en anaalreflex
Aanvullend onderzoek
Evaluatie
-
Cauda-equinasyndroom: (uni- of bilaterale) motorische of sensibele uitval (rijbroekanesthesie) al dan niet in combinatie met hevige radiculaire pijn, urineretentie, incontinentie voor urine en/of feces. Indien door de neuroloog compressie van de cauda-equina wordt vastgesteld is een spoedoperatie geïndiceerd.
-
Ernstige parese (beweging die geen weerstand overwint) of in de loop van enkele dagen progressieve parese.20
Aandoening | Risicofactoren/kenmerken |
---|---|
Maligniteit (wervelmetastasen of leptomeningeale metastasen) |
|
Wervelfractuur(zie NHG-Standaard Fractuur-preventie) |
|
Spondylodiscitis/epiduraal abces |
|
Epiduraal hematoom |
|
Radiculitis (bijvoorbeeld door B. Burgdorferi of H. Zoster) |
|
Richtlijnen beleid
Voorlichting
Klachtenduur korter dan zes tot acht weken
-
Aard van de aandoening: bij een LRS is sprake van prikkeling van een zenuwwortel in de rug, meestal doordat een tussenwervelschijf uitpuilt. Dit leidt tot uitstralende pijn, en soms ook tot gevoelsstoornissen en krachtverlies in het verzorgingsgebied van deze zenuw. De uitpuilende tussenwervelschijf trekt zich in de meeste gevallen vanzelf weer terug. Vijfenzeventig procent van de patiënten herstelt dan ook in de eerste drie maanden, merendeels zonder specifieke maatregelen. De risicofactoren voor het optreden van een recidief zijn niet bekend.12
-
Mate van activiteiten: adviseer in beweging te blijven en door te gaan met de dagelijkse activiteiten voor zover de klachten dit toelaten. Indien juist bij liggen de klachten duidelijk minder zijn, kan de patiënt bedrust houden, maar bedrust draagt niet bij aan een sneller herstel. Geadviseerd wordt om de periode met bedrust zo kort mogelijk te houden. In de meeste gevallen is het voldoende om bewegingen die de pijn provoceren of de rug belasten tijdelijk te vermijden.30 Patiënten die ondanks ernstige klachten volledig willen functioneren, moet worden geadviseerd gedoseerd te bewegen en om rustmomenten in te bouwen.
-
Beeldvormende diagnostiek: leg uit dat er geen reden is om beeldvormende diagnostiek te verrichten. De belangrijkste argumenten hiervoor zijn het ontbreken van consequenties voor het beleid en de hoge prevalentie van (degeneratieve) afwijkingen, inclusief discushernia’s, die meestal geen klinische betekenis hebben (zie Aanvullende diagnostiek). Bijkomend argument zijn de hoge kosten van CT/MRI-onderzoek. Ook door de neuroloog, neurochirurg of orthopeed wordt er geen beeldvormende diagnostiek verricht als er geen aanwijzingen voor een ernstige oorzaak van de klachten zijn en/of er (nog) geen indicatie is voor invasieve behandeling.
-
Restverschijnselen: ook al verdwijnt de uitstralende pijn, de tegelijkertijd aanwezige lagerugpijn kan langer blijven bestaan. Een lichte parese of gevoelsstoornissen herstellen meestal grotendeels, maar kunnen zowel na een conservatieve behandeling als na een operatie geruime tijd aanwezig blijven.
-
Behandeling: gezien de grote kans op spontaan herstel wordt over het algemeen gedurende twaalf weken een conservatief beleid gevoerd alvorens eventueel een operatie uit te voeren. Indien na zes tot acht weken de pijnklachten en/of uitvalsverschijnselen onvoldoende zijn afgenomen, gaat de huisarts na of de patiënt de voorkeur geeft aan operatieve interventie of een in opzet voortgezette conservatieve behandeling (zie Klachtenduur langer dan zes tot acht weken). Het beloop na een operatie is niet beter wanneer de operatie vroeger in het beloop van een LRS plaatsvindt.
-
Arbeidssituatie: adviseer, als naar de mening van patiënt of huisarts de klachten mogelijk hun oorzaak vinden in de arbeidssituatie dan wel een gevolg hebben voor die arbeidssituatie, de patiënt contact op te nemen met de bedrijfsarts, indien dat nog niet is gebeurd. Indien de patiënt en bedrijfsarts contact met elkaar hebben gehad, zoekt de huisarts – indien daar aanleiding toe is (en de patiënt daar toestemming toe geeft) – ook zelf contact met de betreffende collega om het beleid onderling af te stemmen.
-
Aanwijzingen voor een ernstig beloop: adviseer de patiënt in de volgende gevallen direct contact op te nemen met de huisarts:
-
bij het ontstaan van een doof gevoel in het rijbroekgebied;
-
bij ongewild verlies van urine of ontlasting of juist niet kunnen plassen;
-
bij toenemend verlies van spierkracht in de benen.
-
Klachtenduur langer dan zes tot acht weken
Voortgezette conservatieve behandeling | Operatieve behandeling | |
---|---|---|
Interventie | Gedoseerd bewegen, eventueel analgetica en/of fysiotherapie. | Operatie, waarvoor ziekenhuisopname en narcose. |
Klachtenbeloop | Gemiddeld (enkele weken) langere klachtenduur dan na operatieve behandeling, waardoor naar verwachting ook later terug in het arbeidsproces.Bij circa 60% van de patiënten met hevige klachten verbeteren de klachten zodanig dat een operatie niet nodig is. 40% van de patiënten ondergaat na gemiddeld 20 weken alsnog een operatie vanwege onvoldoende herstel. | Gemiddeld (enkele weken) kortere klachtenduur ten opzichte van voortgezette conservatieve behandeling, waardoor naar verwachting ook eerder terug in het arbeidsproces.3,2% van de patiënten ontwikkelt recidiefklachten, waarvoor een tweede operatie nodig is.Meestal geen invloed op eventueel aanwezige rugpijn. |
Herstel na 1 jaar | Na 1 jaar is 95% van de patiënten volledig of bijna volledig hersteld. Dit is vergelijkbaar met de uitkomst na operatieve behandeling. | Na 1 jaar is 95% van de patiënten volledig of bijna volledig hersteld. Dit is vergelijkbaar met de uitkomst na voortgezette conservatieve behandeling. |
Complicaties | Gemiddeld langer en meer analgetica (met mogelijke complicaties) nodig dan na operatieve behandeling. | Bloeding (5%), duralek met liquorlekkage (3-4%), wondinfectie (2-3%), exploratie van het verkeerde niveau (1,2-3,3%).Ernstige complicaties met mogelijk (toename van) uitvalsverschijnselen (circa 1%):
|
Niet-medicamenteuze behandeling
Medicamenteuze behandeling
Pijnmedicatie
-
Schrijf de medicatie op vaste tijden (tijdcontingent) voor. Overweeg voor de nacht een hogere dosering voor te schrijven.
-
Volg het stappenplan. Overweeg bij hevige pijn en/of contra-indicaties voor NSAID’s één of twee stappen over te slaan. In dit geval kan direct worden gestart met behandeling met (zwakwerkende) opiaten (in combinatie met paracetamol en, indien er geen contra-indicaties zijn, NSAID’s).
-
Start, in geval van behandeling met opiaten, met een snelwerkend preparaat (bijvoorbeeld morfine oraal of parenteraal zonder gereguleerde afgifte). Behandel bij chronische pijn met een langwerkend preparaat (bijvoorbeeld morfine retard).
-
Beoordeel of er een indicatie is voor maagbescherming (zie de NHG-Standaard Maagklachten).
-
Zie voor algemene aanbevelingen ten aanzien van toepassing van analgetica (bijvoorbeeld de preventie van obstipatie bij gebruik van opiaten) de FTR Medicamenteuze pijnbestrijding (die in 2015 wordt vervangen door de NHG-Standaard Pijn).
-
Hoog de medicatie, op geleide van de pijn, volgens het stappenplan op. Hoog de medicatie bij hevige pijn snel op.
-
Evalueer bij de controles de eventuele bijwerkingen: streef naar een evenwicht met voldoende pijnstilling en acceptabele bijwerkingen.
-
Houd bij het gebruik van opiaten rekening met het optreden van urineretentie als bijwerking (en onderscheid dit van een cauda-equinasyndroom).
-
Indien hevige pijn na een paar dagen behandeling met voldoende hoog gedoseerde opiaten onvoldoende is afgenomen, dient verwijzing naar de neuroloog plaats te vinden voor aanvullende diagnostiek naar de oorzaak van de hevige pijn.
-
Bouw bij herstel van het LRS de pijnstilling geleidelijk af, op geleide van de pijnklachten.
-
Heroverweeg bij patiënten met persisterende LRS-klachten, bij wie onvoldoende pijnstilling met opiaten wordt bereikt, of er sprake kan zijn van een ernstige oorzaak. Overweeg, indien dit niet het geval is, (off-label) behandeling met neuropathische pijnmedicatie volgens het stappenplan neuropathische pijn (zie de FTR Medicamenteuze pijnbestrijding, die in 2015 wordt vervangen door de NHG-Standaard Pijn). Ook bij patiënten die niet in aanmerking komen voor operatieve interventie, bijvoorbeeld door comorbiditeit, en bij patiënten bij wie een operatie onvoldoende effectief was, is (off-label) behandeling met neuropathische pijnmedicatie een mogelijkheid.
Overige middelen
Operatieve behandeling
Controles
-
Beloop: vervolg het beloop aan de hand van de pijn (eventueel met behulp van een pijnschaal), de eventuele motorische uitval en de proef van Lasègue en/of maximale vinger-vloerafstand.39 Blijf alert op aanwijzingen voor een ernstige oorzaak van de klachten, vooral bij aanwezigheid van kenmerken zoals beschreven in [tabel 3] en bij een onverklaarbaar langdurig of progressief beloop.
-
Mate van activiteiten: beoordeel of het activiteitenniveau kan worden uitgebreid; verwijs bij bewegingsarmoede of -angst naar de fysiotherapeut.
-
Pijnbestrijding: vraag actief naar de effectiviteit van de medicatie, bijwerkingen en de invloed van medicatie op het dagelijks functioneren. Pas zo nodig de medicatie aan op geleide van de pijnklachten. Verwijs de patiënt met hevige pijn ondanks hoog gedoseerde pijnmedicatie naar de neuroloog voor verdere diagnostiek naar de oorzaak van de hevige pijn.
-
Restverschijnselen: het is raadzaam om na verbetering van het LRS bij de laatste controle de ernst van de eventueel nog aanwezige uitvalsverschijnselen en reflexverschillen vast te leggen met het oog op eventuele recidieven.
-
Bij hevige pijn of een geringe parese: controleer de eerste dagen − zo nodig dagelijks − of er verslechtering optreedt.
-
Bij minder hevige klachten: controleer afhankelijk van het beloop, na twee tot vier dagen en vervolgens eenmaal per twee weken.
-
Bij klachten die mogelijk passen bij een cauda-equinasyndroom (zie Achtergronden) moet de patiënt binnen enkele uren worden beoordeeld (U3-urgentie).
Postoperatief beleid
Beleid bij chronische pijn
Reacties
Er zijn nog geen reacties.